OUDE RAADHUIS

(1792 - 1944)

TERUG NAAR OVERZICHT

Locatie: Hoofdstraat 93-95b

In 1790 besloot het schepencollege tot de bouw van een nieuw raadhuis. Bekend is dat in 1663 het schepencollege in een ‘raetcamer’ in hotel de Valk vergaderde, later volgde rond 1715 een eenvoudig raadhuisje op het kerkhof. Architect Piet van Rooij uit Sint Michielsgestel werd in 1790 verzocht een bestek te schrijven, een begroting op te stellen en enige schetstekeningen aan te leveren. Om de bouw te bekostigen zijn door landmeter Walterus van Erven nieuwe percelen ingemeten en aan particulieren verkocht. De aanbesteding geschiedde op 15 januari 1791 en de eerste steen is gelegd door secretaris Van Beverwijk op 1 april 1791. Men noemde dit het mooiste raadhuis van de hele Meierij. Tijdens de granaatweken is het in de nacht van 28 op 29 september 1944 grotendeels afgebrand en niet meer herbouwd.

Van raadkamer tot raadhuis

Het is niet zo heel eenvoudig goed zicht te krijgen op de historische ontwikkelingen rond bouw en gebruik van de Schijndelse raadhuizen. Het overleg van het dorpsbestuur geschiedde aanvankelijk in een raadkamer, waarvan er in ieder geval een bekend is uit 1662 in herberg de Valk. Een verklaring van 24 maart 1662 geeft aan dat er een bijeenkomst werd gehouden ‘in hunne raedtcaemer in de huysinge van Anthonis Mijssen van der Spanck genoempt de Valck’. [1] Heesters schrijft dat ook vanouds vergaderd werd in herberg de Wildeman en belangrijke besluiten werden dan meteen opgehangen op het affichebord bij de lindeboom, dat de naam droeg van Rooijschen Post. Rond 1725 moet Schijndel volgens hem een eerste raadhuis hebben gekregen, dat toen nog werd gebouwd op het kerkhof dat rondom de Servatiuskerk lag. Wij denken dat het bouwjaar vroeger ligt, in ieder geval vóór 1717, want in dat jaar wordt de term ‘raethuyse’ gebruikt.

In 1715 krijgt Huybert van Esch instructies over het maken van een ‘boeke off papierkast’ in de raadkamer, die geplaatst dient te worden naast de oude. De afmetingen zijn hoog 7 voeten, breed 5 voeten, diep 14 duimen binnenwerks en geleverd in droog eikenhout zonder spint of kwasten en naar het oordeel van de secretaris dient hij er vijf legplanken in aan te brengen. De bedoeling is dat de kast van deuren wordt voorzien en het lijstwerk dient conform de oude kast te zijn. Het hang- en sluitwerk wordt minimaal met twee nachtsloten toegerust en het geheel dient tweemaal met goede olieverf afgewerkt te worden [2]

Latere notities zijn meer gericht op werkzaamheden ‘aen de raetcamer’, maar dan in het raadhuis. In 1754 passeert een aanbesteding en daar spreekt de secretaris van ‘reparaties aen de gemeentens raetcamer’. Uit de akte is duidelijk af te leiden dat het hier gaat om een gebouw, waarin zich een raadkamer bevindt. Als we die aanbesteding kritisch lezen vallen enige zaken op over de mogelijke ouderdom, interieur en exterieur van dit eenvoudige raadhuis [3]. De aannemer krijgt als eerste opdracht het vernieuwen van alle latten van het oude (!) pannendak. Aan de westzijde dient hij nieuwe pannen te leggen en de oude aan de oostzijde beter op elkaar aan te sluiten en het geheel met ‘strooijwieken’ te beschermen tegen lekkages. Het torentje waarin een klokje hing vroeg om een geheel nieuwe planken bekleding, die tweemaal geverfd moest worden. Het klokketouw was ook aan vernieuwing toe. Aan de deur voor op het kerkhof kwam een ‘stoepke van goede harde klinkert’ te liggen. Al het schilderwerk werd geacht uitgevoerd te worden conform de bestaande kleuren. Aan de aannemer wordt vier weken werktijd gegund en mocht hij niet op tijd klaar zijn, dan zou een vierde part van de kosten in mindering worden gebracht op zijn salaris. Als het werk exact is uitgevoerd volgens het aangeboden bestek, kan hij binnen twee weken de uitbetaling door de schepenen tegemoet zien. Voor 14 gulden zal Willem Eijmbert Voets het werk aannemen. Voor het zorgvuldig bewaren van allerlei belangrijke documenten was de nodige opbergruimte gewenst. Anno 1771 worden alle muren nog eens opnieuw bezet [4]. In hetzelfde jaar worden  drie nieuwe schuiframen, deur en deurgebint aangebracht. Ze zijn 6 ½ voet hoog en 5 voet breed. In de 18 ruiten staat fijn Frans glas. Het hang- en sluitwerk is voorzien van koperen platen en boven de zoldertrap wordt een valdeur gemaakt. Vervolgens staat er in het bestek dat hij op het raadhuis een torentje moet maken van eikenhout. Uit die omschrijving zou je de voorzichtige conclusie kunnen trekken, dat het bestaande torentje vervangen werd, temeer omdat de beschrijving nogal op details ingaat wat lengte – en breedtematen betreft. Om ‘swieren van den toorn’ te voorkomen wordt een extra versteviging aangebracht en boven op de spits wil men graag een sierlijke knop en boven op de knop een vaantje dat kan draaien in alle windrichtingen. Het torentje wordt bekleed met goede leien en op de hoeken voorzien van lood. Wat het nieuwe deurgebint betreft verwacht men dat hij meteen de stoep dusdanig ophoogt, dat men vlot het raadhuis kan binnenstappen. Het werk dient 15 september 1771 opgeleverd te worden, terwijl de aanbesteding is van 30 juli. De laagste inschrijver is Gijsbert van Rooij, die het voor f 100,- wordt gegund [5]. Goed 6 jaren later worden alle muren van het raadhuis aan een grondige inspectie onderworpen. Alle defecten wil men in orde gemaakt hebben. Op die plaatsen waar de vloer slecht is worden hetzelfde type plavuizen ingevoegd. Alle binnenmuren worden gewit, de ramen gewassen en ook de schoorsteen geveegd. Ook het pannendak wordt in de inspectieronde meegenomen. Johan Willem Jorris wordt opdracht verstrekt al deze reparatieposten te volbrengen voor f 23,- [6]. Aan alles komt een einde....ook aan dit raadhuis op het kerkhof.

Bouw van een nieuw raadhuis

In 1790 beraamt het bestuurscollege plannen om een nieuw raadhuis te bouwen, dat beter voldoet aan de eisen des tijds. Probleem daarbij was om aan de juiste geldelijke middelen te komen, want een stijlvol raadhuis laten neerzetten zoals dat tot vóór 1944 in de Hoofdstraat prijkte, kostte de gemeente een vermogen volgens de normen van die tijd. Uiteindelijk wordt bij de Bossche Leen – en Tolkamer een verzoek ingediend om gemeentegrond te mogen verkopen. De Hoogwelgeboren Gestrenge Heer en Mr. Baron van Rhemen tot Rhemenshuizen, zijnde Raad en Rentmeester-Generaal van de Domeinen, hecht hieraan zijn goedkeuring. Uit de stukken blijkt dat men 52 percelen liet inmeten door landmeter Walterus van Erven en nog eens 37 door landmeter Adriaan Coppens. Ze worden alle genoteerd in de schepenprotocollen alsmede de namen van de kopers en de verkoop levert f 4000,- op [7]. Als locatie was gekozen een perceel gelegen tussen het huis van de weduwe van Peter van de Ven en het erf van herbergierster de weduwe van Joost van de Ven ofwel herberg de Zwaan. Secretaris Andringa kocht dit stukje grond voor f 150,-. Aan architect Piet van Rooij uit Sint Michielsgestel wordt uiteindelijk verzocht een bestek te schrijven, schetstekeningen te ontwerpen en een begroting aan te leveren. Hij schrijft een bestek van in totaal 42 artikelen [8]. Op 11 december 1790 wordt zijn werk door het bestuurscollege goedgekeurd en de publieke aanbesteding vindt plaats op 15 januari 1791. Het is Nicolaas van Sonsbeek uit Oijen die de bouw voor zijn rekening neemt [9]. De eerste steenlegging staat aangetekend in het schepenprotocol : ‘den eersten april int jaar 1791 heeft de Heer G.H. van Beverwijk, erfsecretaris van Schijndel, aant nieuw te bouwen raadhuys gelijdt den eersten steen’. De bouw is niet zonder slag of stoot gerealiseerd, want er werden uiteindelijk de nodige defecten geconstateerd en het werk was niet binnen de vastgestelde termijn voltooid. Over allerlei details zou een apart themanummer van het heemblad geschreven kunnen worden! Het klokje in het torentje op het raadhuis kwam van de firma Petit uit Aarle Rixtel. Daartoe zou het oude klokje van het raadhuisje op het kerkhof omgesmolten zijn. Op 2 november 1792 kon Schijndel beschikken over een gloednieuw raadhuis!

Een stevige verbouwing

Eenmaal in gebruik door de ambtenaren begint men meestal de nodige mankementen te bespeuren of gaan de gedachten uit naar structurele aanpassingen. Dat gebeurde met dit raadhuis in 1823. Aan de drie zijden werden nieuwe blokgoten gemonteerd van grenen hout. De ramen in de achtergevel schenen als schuiframen niet meer zo goed te voldoen. Drie

kozijnen in die gevel werden uitgebroken en dichtgemetseld. Al het metselwerk verrichtte Hendrikus van der Dussen uit Boxtel. Het timmerwerk was in handen van de Schijndelaar Gijsbert van Rooij. Aan de zuidelijke gevel werd een poort gemaakt, een deel van de binnenvloer werd helemaal opnieuw geplaveid en er werden twee nieuwe lichtkozijnen met ijzeren spijlen en blinden aangebracht. In de gang hing een ornament met vermelding van het jaartal 1889, dat op initiatief van burgemeester Hulshof was aangebracht, na een bescheiden reparatie en totale schoonmaak. Begin 1913 dacht men al aan uitbreidingen en werd daartoe een extra stuk grond aangekocht van slager Eijmbert van Rooij. Uiteindelijk zou dit bijzonder fraaie raadhuis met Vrouwe Justitia in de voorgevel, door oorlogsgeweld van 28 op 29 september 1944 worden verwoest. Historieschrijver Servaas der Graaff noemde het destijds met zijn arduinen voorgevel ‘het schoonste van de Meyery’. Men heeft nog eens het plan gehad een nieuw raadhuis te bouwen op de plaats van Rabobank en postkantoor en wilde die straat al vast de naam meegeven van Raadhuisstraat.[10]. Die is er nooit gekomen. Direct na de Tweede Wereldoorlog diende villa Rozenburg als tijdelijk onderkomen, maar daarover meer bij de attentiesteen die aan deze villa wordt gewijd.

Uitbreiding van het gebouw in 1914

In de raadsvergadering van 30 juni 1913 werd een belangrijke beslissing genomen nl. tot het overgaan van de vergroting van het bestaande raadhuis. Aan J.Heijkants uit Erp gaf men opdracht een ontwerp te maken en een bestek uit te werken. Op 19 februari 1914 stuurde Heijkants zijn plan in en daarop volgde op de 26e de openbare inschrijving. Maar liefst 18 gegadigden meldden zich, waaronder twee aannemers uit Schijndel zelf nl. J.H. van den Boomen die het werk zou realiseren voor een bedrag van f 18.999. Aannemer Adr. van den Oetelaar bood f 16.450 en kreeg de opdracht tot uitvoering van het werk. Van ca. 119 m² moest het raadhuis vergroot worden tot 256 m². Het vertrek achter de burgemeesterskamer, waar toen het kadaster was ondergebracht, werd na de verbouwing bestemd als bodekamer. Was in het bestaande gedeelte slechts één cel die na de verbouwing als slaapplaats voor zwervers en daklozen werd ingericht, nu werden er drie cellen voor arrestanten bijgebouwd en nog twee afzonderlijke slaapplaatsen en een flinke bergplaats. De toiletten verhuisden van beneden naar boven, op het einde van de zijgang. De nieuwe bovenverdieping werd voor het grootste gedeelte benut als raadzaal met publieke tribune, een kamer voor het kadaster en een behoorlijk archieflokaal, die tevens werd gebruikt voor huwelijksvoltrekkingen. Op het nieuwe gedeelte werd een plat dak gelegd. De dakpannen van het oude gebouw werden vervangen door leien. De opdracht voor Van den Oetelaar was om het werk vóór 15 augustus 1914 voltooid te hebben. Toch bleek men rond de jaren ’30 een nijpend tekort aan administratieruimte. Op dat moment besloot men de brandspuiten elders onder te brengen en in het vrijkomende deel een afzonderlijk bureau in te richten voor de behandeling van de werkeloosheidsperikelen, want de werkloosheid was groot in die dagen. Later zou ook de raadzaal nog gesplitst worden zodat een aparte secretariskamer gecreëerd kon worden.  In 1941, dus enige jaren voor de definitieve verwoesting van het gebouw werd nog centrale verwarming aangelegd. Daarna volgde die dramatische beschietingen en zagen de Schijndelaren een zwaar beschadigd gebouw dat uiteindelijk gesloopt zou moeten worden. Bovendien was helaas veel waardevol archiefmateriaal verloren gegaan. Het verlies van dit zeer fraaie raadhuis heeft gegarandeerd bij de bevolking de nodige emoties losgemaakt [11].

Bronvermeldingen:

[1] BHIC toegang 5116 – Notarieel archief van Jan van den Heuvel inv.nr.14 folio 207 en 209 verso
[2] BHIC toegang 5122 Oud Archief Schijndel inv.nr.206 folio 143
[3] BHIC toegang 5122 inv.nr.206 folio 84 verso
[4] BHIC toegang 5122 inv.nr.210 folio 88
[5] BHIC toegang 5122 inv.nr.210 folio 228 verso
[6] BHIC toegang inv.nr.212 folio 100 verso
[7] BHIC toegang inv.nr.135 folio 232 verso – 275
[8] BHIC toegang 5122 inv.nr.214 folio 94-114
[9] BHIC toegang 5122 inv.nr.177 folio 105
[10] Henk van den Brand – Een historische beschrijving van de Schijndelse straatnamen van A tot Z [uitgave 2012 – te raadplegen op de website van Henk Beijers onder ‘archief Schijndel’]
[11] A.L. van Bokhoven oud-archivaris van Schijndel in: Schijndels Weekblad in de jaren 1946-1946 een serie van 6 artikelen over dit thema [microfichecollectie heemkamer SW 1939-1996]

Voorts is geraadpleegd:

Pater Wiro Heesters – Historische Verkenningen Schijndel [uitgave 1984] pag.188-193
Henk Beijers e.a. – Het Schijndelse landschap [uitgave 2003] pag. 203-206

PS

Wie veel meer details wil weten wordt geadviseerd de artikelen van Van Bokhoven te bestuderen. Wij hebben gekozen voor een beschrijving ‘op hoofdlijnen’.

 

Vught/Schijndel, juni 2014.

Henk Beijers en Henk van den Brand leden van de historische werkgroep van HKK Schijndel

 

 

 

 

 

 

 

TERUG NAAR OVERZICHT