DOMINEESWONING

(1776 - 1823)

TERUG NAAR OVERZICHT

Locatie: Hoofdstraat 146a-148

Tussen de huidige Markt en het Hervormd Kerkje lag in de 18e eeuw een langgerekt akkercomplex genaamd Pastoorstiend of Pepertiend. In 1774 overweegt het schepencollege een nieuwe predikantswoning te laten bouwen. Twee akkerpercelen, toebehorende aan de Armentafel, worden als bouwlocatie aangewezen. In 1775 volgde de definitieve aanbesteding. Nicolaas van der Donk heeft het voltooid in 1776 voor voor een bedrag van fl 4075. Een voor die tijd zeer luxe pand van twee verdiepingen met o.a. een rijk versierd windvaantje, blauwe Utrechtse dakpannen, aan de voorgevel een sierlijst naar Toscaans model en in het interieur is gebruik gemaakt van Frans glas en Zweeds ijzer. In 1823 is de predikantsplaats opgeheven. In 1944 is de achtergevel vernield, maar geheel hersteld. Thans is in dit Rijksmonument een winkel gevestigd.

De oude pastorie

We moeten in de historie even enkele eeuwen terug tot aan de Vrede van Munster in 1648. In die vredesonderhandelingen was een van de besluiten dat de katholieke kerken zouden worden overgedragen aan de protestanten of hervormden, want de nieuwe godsdienst werd die van de ware christelijk gereformeerde religie. Dit had als consequentie voor de katholieken, ook wel aangeduid met  roomsgezinden of pausgezinden, dat ze voortaan aangewezen zouden zijn op schuurkerken of schuilkerken, in archiefbronnen vaak aangeduid met de term ‘kerkschuur’. Die situatie heeft geduurd tot ca. 1808. De overdracht van het kerkgebouw hield ook in, dat de pastorie van de roomse pastoor ter beschikking zou komen aan de dominee of predikant. De locatie van die oude pastorie is tot op heden, ondanks allerhande bewaard gebleven oude Schijndelse archiefbronnen, nog steeds niet bekend. Oud-archivaris Ad van Bokhoven suggereert de locatie Bunderstraat omgeving Pompstraat.

In het oud archiefmateriaal komt het nogal eens voor dat bij aanbestedingen diverse objecten genoemd worden en men in het daarop volgende bestek niet helder aangeeft wat er precies aan welk gebouw gerepareerd of vertimmerd wordt. We hebben een zeer uitvoerig bestek uit 1751, waarin is aanbesteed de vernieuwing en vergroting van de kelder met kelderkamer van de “pastorije”. Het is een uiterst gedetailleerd bestek. Opvallende zaken daarin zijn de aan te leggen Engelse schoorsteen, de doorbraak die gemaakt moet worden tussen de oude en de nieuwe kelder en een nieuwe stenen trap. De oude, maar nog redelijke plavuizen die uit de pastorie komen, kan de aannemer hergebruiken in het schoolmeestershuis. Het oude deurkozijn dient geheel vervangen te worden. Alles wat hij aan houtwerk toepast dient driemaal van een verflaag voorzien te worden. Een bijzonderheid lijkt dat alle metingen op basis van de Weselse voet zijn uitgevoerd, te weten schrijft men dan “ 11 duym in de Bosse voet”. De aannemer, een zekere Rutgerus Trimbosch, krijgt 12 weken de tijd. Vrij kort daarop wordt het complete schilderwerk van de pastorie aanbesteed. Wat de pastorie betreft dient alles te geschieden naar genoegen van de predikant. Uit die aanbesteding zijn wat algemene zaken af te leiden ten aanzien van het interieur en exterieur van de pastorie. De vensters, ramen en de poort krijgen een olijfkleur. Men spreekt ook over staldeuren, over een trap in de keuken die naar de grote kamer leidt en een zomerhuisje voor aan de straat. De afscheiding met het perceel van Hendrik Antony Vugts dient gerepareerd te worden. Nog veel uitvoeriger is een bestek uit 1756 voor het maken van een nieuw schuifraam en een nieuwe poort met nog wat andere

reparaties aan het “pastorijehuys”. Daar komen weer nieuwe details aan het licht zoals een trap of bordes van het zomerhuis, het vernieuwen van losse tegeltjes onder de schouw in de keuken, het bestaan van een voorhuis en een achterhuis, het gebruik van Engelse ramen waarin Frans glas werd gezet, het vervangen van de oude poort door een dubbele en het plaatsen van die oude poort voor de buitenhof. De poort wordt uitgevoerd in witte verf en in de tuin ligt ook een “brug off steijger” die aan reparatie toe is. Inzetter was Jan Cluytmans, maar uiteindelijk wordt het totale werk gegund aan Hubertus van Esch uit Boxtel. Ruim een jaar later wordt een nieuw ashuis aanbesteed aan de pastorie, ingezet door onder andere Hendrik van der Schoot en Jan Cluytmans, maar men trekt Willem Eijmbert Voets aan om het uit te voeren. De akte wordt getekend op 13 mei 1757.

De nieuwe pastorie anno 1776

In 1774-1775 volgen de veranderingen elkaar snel op. Op 2 april 1774 maakt het dorpsbestuur bekend dat het van plan is een “nieuwe pastorijehuysinge” te laten bouwen als woning voor de predikant op twee akkertjes in de Pastoorstiend of Papentiend, die toebehoren aan de Armentafel of H. Geesttafel. In ruil daarvoor krijgen de Armen het perceel de Schabbert gelegen in de Beemd. Hierover wordt een akkoord bereikt. Ruim drie weken later is het Mejuffrouw de Jongh, inmiddels weduwe van de Weleerwaarde Heer Petrus Grootveldt, in leven predikant te Schijndel en Liempde, die de inboedel van haar overleden man wil verkopen. De omschrijving luidt: “eenen schoonen en zindelijken inboel bestaende in kooper, tin, kaste, kiste, stoelen, beddens, linne en wolle, schilderijen en cabinette en hetgeen verder zal worden ten beurden gebragt”. De verkoping zal geschieden op woensdag 27 april om 8 uur aan het pastoriehuis. En de akte sluit met “segget voort”. Medio 1774 besloot men de “oude pastorijehuysinge” met tuinen, hof en boomgaard, stalling en speelhuisje publiek te gaan verkopen, uitgezonderd de hof die aan de overkant van de straat lag. Die zou afzonderlijk verkocht worden. Het gehele complex was twee lopensen groot en belend door Eijmbert van Rooij, Hendrik Vugts, Jan Teulings en de openbare weg. Uit de tuin zouden 10 fruitbomen en de nodige bloemen worden overgeplant in de tuin van de nieuwe pastorie. De koop werd ingezet door Willem van Aggelen voor een bedrag van f. 1050,-- en op 4 augustus werd de koop geaccordeerd.

Op 6 februari 1775 volgt de definitieve aanbesteding van de bouw van de nieuwe pastorie. Een bestek beschrijft tot in detail interieur en exterieur alsmede alle te gebruiken materialen met hun kwaliteitsklasse en merk. Het zou veel te ver voeren en ook niet meer interessant zijn voor de lezer het 52 artikelen tellende bestek woordelijk te publiceren.

Het pand zoals het toen moest worden neergezet bestaat nu nog en daarom is het, gezien vanuit de monumentenzorg, prachtig dat dit bestek ongeschonden bewaard is gebleven. De meest markante zaken geven een indruk van de stijl waarin dit ‘herenhuis’ is gerealiseerd.Het is dus gebouwd “op enen acker van den Grooten Armen in de Regtestraet” en wel door Nicolaas van der Donk voor een bouwsom van f. 4075,--, terwijl Quirijn van Grinsven uit Oss en Jan van den Camp uit Megen zich borg stelden. De gebruikte steensoorten waren harde in de Meierij gebakken mopstenen en “boere grauwe mopstenen” zoals die ook gebruikt waren aan de schuurkerk [de Roomsche Kerkschuur]. De genoemde vertrekken zijn een keuken met schoorsteen met schouwmantel, de grote voorkamer met schoorsteen, een kleine voorkamer, kelderkamer, twee bovenkamers. De schoorstenen die daar gemetseld worden, konden zijn “op de vorm van Engels, Luyks, Uyl de Boeuff”, waarbij de schouwmantels voorzien moesten worden van sierlijke lijsten. Op het huis zou een koperen vaan moeten gaan prijken met fijn goud verguld, waar een koperen bus ingewerkt werd met een staart, zodat het vaantje licht en vaardig op spillen kon draaien en in iedere spil een lelie. Die werd vervolgens recht op het noorden gesteld om “de wind aan de wijsen”. Onder de goot aan de straatkant zou een lijst aangebracht moeten worden “naer d’ordre Toscana”. De kap wenste men gedekt te zien met blauwe uitgeklonken Utrechtse pannen. Aan de voorzijde had men twee dakvensters gepland. De keuken werd volgelegd met Utrechtse plavuizen. Het huis werd ingericht met twee alkoofbedsteden. Ook vernieuwde men tegelijkertijd het as – of brandhuis en legde men een aparte askuil aan. In de bijbehorende tuin was plaats voor een mooie vijver. Al het schilderwerk werd allereerst “gelijmd” met Engelse en goed geprepareerde lijm, gemengd met goede verf en als die droog was werd er nog ’n laag overheen aangebracht. De kalk die werd voorgeschreven was echte Luikse kluitkalk, voor de fundamenten gebruikte men harde mopstenen, voor de binnenmuren goede in de Meierij gebakken “blommertsteenen”, in de ramen Frans glas en voor het ijzerwerk koos men voor Zweeds ijzer. Mocht men ooit grondige reparaties of restauraties verrichten aan het huidige pand in de Hoofdstraat en links en rechts bijzondere materialen tegenkomen, dan zouden ze wel eens kunnen dateren uit 1775-1776. In 1776 werd immers de bouw voltooid en kon de predikant zijn intrek nemen in zijn nieuwe prachtige pastorie. Maar ….er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan! Bij de inspectie werden natuurlijk de nodige defecten geconstateerd. Die liet men ten laste van de huidige aannemer opnieuw aanbesteden en de lijst met onvolkomenheden kon men ter secretarie gaan bekijken, waar hij 8 dagen ter inzage lag. De aanbesteding zou geschieden op 29 augustus 1776.

Naast de domineeswoning bouwde men tevens een kosterswoning, waarin nu een winkel gevestigd is. Schijndel was een indrukwekkend nieuw herenhuis rijker geworden.

Ingrijpende veranderingen

Aangezien de pastorie eigendom was van de burgerlijke gemeente kon de dominee na de overdracht van de Servatiuskerk aan de katholieken en de bouw van het Napoleonskerkje voor de protestanten, rustig in de pastorie uit 1776 blijven wonen. In 1823 is de gereformeerde gemeente van Schijndel opgeheven en gecombineerd met Sint Michielsgestel.

Daarna kent het domineeshuis diverse andere eigenaren getuige het volgende overzicht :

Hoofdstraat 144-146 kadastraal bekend onder D 217 en later D 3076

1832 de weduwe W. Schevers rentenierster
1837 J.M. van Kasteren landbouwster
1878 P. van de Pas winkelier
1883 L.J.Bolsius brouwer
1896 A.Schippers koopman
1911 Th. Schippers bakker/koopman
1926 J.M.F.Louwers
1927 Handel in koloniale waren Edah NV Helmond en J.M.F.Louwers
1963 Handel in koloniale waren Edah NV Helmond, provincie Noord Brabant en A.A.Voets slager
1964 Handel in koloniale waren Edah NV Helmond, provincie NB en P.J.J.M.T. van de[n] Bosch winkelier

Geschiedenis van het perceel:

1832 huis, erf en schop
1902 vereniging en herbouw: huis, schuur, erf en tuin
1924/1925 aanbouw: 2 huizen schuur en tuin
1946 huis, tuin, winkel, tuin en woonhuis
1968 2 winkels woonhuis en tuin
…….. fa. Van Zutphen elektrische installaties

Het pand heeft in de maanden september/oktober 1944 oorlogsschade opgelopen tijdens de granaatweken en vanaf 1946 zijn er herstelwerkzaamheden uitgevoerd. Op basis van latere bouwvergunningen is duidelijk dat in 1953 Hoofdstraat 146 en 146a gesplitst zijn, in 1972 de woning en in 1975 de inmiddels ingerichte winkel op de benedenverdieping zijn verbouwd.

bronvermelding:
Henk Beijers e.a. in : Het Schijndelse landschap [2003] pag. 201, 202 en 203
BHIC toegang 5229 – Collectie Prinsen blocnote 8
BHIC toegang 1484 – Bouwvergunningen Schijndel inv.nrs. 47.2, 1334, 5479 en 6670
Europese Bibliotheek - Schijndel in oude ansichten [uitgave 1971] pag. 39
Jan van den Bosch en Henk van Roessel – Schijndel vroeger en nu [2008] pag.89 en 91
BHIC toegang 5122 – Oud Archief Schijndel inv.nr. 349
Mej. A. de Laat – Reconstructie huizen en inwoners van de kom van Schijndel [1983]

Schijndel/Vught, juni 2014.
Henk van den Brand en Henk Beijers leden van de historische werkgroep van HKK Schijndel

 

 

TERUG NAAR OVERZICHT