TRAMSTATION

(1899 - 1936)

TERUG NAAR OVERZICHT

Locatie: Hoofdstraat 111-113

Op 26 juni 1899 is het voor Schijndel een feestelijke dag vanwege de eerste stoomtram van tramwegmaatschappij ‘de Meijerij’ die door het dorp reed en stopte bij het tramstation dat was ondergebracht bij het café van Toon van Veghel. De lijn ’s- Hertogenbosch - Eindhoven passeerde Schijndel. De vastgestelde snelheid was 20 km, maar in werkelijkheid was hij niet hoger dan 12 km per uur. In 1932 werd het personenvervoer opgeheven, in 1934 het goederenvervoer en ten slotte heeft men in 1936 de rails opgebroken, omdat inmiddels op dit traject autobusverbindingen waren gerealiseerd. In de wintermaanden werd een kachel gestookt om het de reizigers wat aangenamer te maken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was in café Van Veghel het bureau gevestigd van het korps de Gele Rijders. Thans heeft het pand een horecabestemming.

Het pand Hoofdstraat 111-113 is dus niet alleen bekend vanwege het feit dat er een tramstation was gevestigd. Zoals hierboven vermeld was er tijdens de Eerste Wereldoorlog het bureau van de Gele Rijders gevestigd, officieel bekend als "het Korps Rijdende Artillerie". Een oud korps dat in 1918 het 125-jarig jubileum mocht vieren. Eind 1916 meldden deze militairen zich te Schijndel en hebben er ruim 2 1/2 jaar vertoefd en zoals Ben Peters schreef "het sociale en maatschappelijke leven van de Schijndelse bevolking ten dele beïnvloed". Het korps stond onder commando van luitenant kolonel Baud. Het "korpsbureel" was gevestigd in het tramstation van Toontje van Veghel. De manschappen zelf waren, al dan niet met hun paard, verspreid over Schijndel en Wijbosch ingekwartierd in verschillende boerderijen. De officiersmess was ondergebracht in hotel De Zwaan, soms ook aangeduid als Hotel Goijaarts. Een leuk detail is dat een van de korporaals, genaamd Van Goor, die afkomstig was uit Sonsbeek, zijn inkwartieringsadres "Villa Klein Sonsbeek" noemde, gelegen naast het moederhuis van de Zusters van Liefde, namelijk de woning van de familie Jan van Doremalen. Achter het domineeshuis uit 1776 en het Hervormd kerkje lag een excercitieterrein en in het patronaat, gebouwd in 1907, werden wagonladingen hooi en haver voor de paarden opgeslagen. Het patronaat was ook de locatie waar de kantine was gevestigd, waar aan de Gele Rijders theorielessen werden gegeven en waar men gymnastiekoefeningen hield. In de avonduren kon men er kaarten, biljarten en de muziekliefhebbers onder hen hadden de beschikking over een piano. Ook in economisch opzicht was de komst van de Gele Rijders, met name voor de caféhouders en herbergiers een aardige bron van inkomsten. Vermeldenswaard is ook dat de in 1886 geboren dokter Van Oppenraaij destijds in functie was als "officier van gezondheid" bij de Gele Rijders en nadien huisarts werd in Schijndel, wiens praktijk duurde tot 1948.

Bronvermelding: Ben Peters (1998) De Gele Rijders in Schijndel.

De tramrails te Schijndel – een historische terugblik op hoofdlijnen

Ter inleiding

Nu de oude tramrails, die sinds 1936 waren opgebroken, dit jaar ter verfraaiing van het centrum, door de gemeente Schijndel in het plaveisel worden teruggebracht over het tracé Groeneweg tot aan de Kloosterstraat, is het idee ontstaan een gecombineerde publicatie te laten verschijnen om dit stukje recente Schijndelse geschiedenis voor een groter publiek toegankelijk te maken. De dvd, die op zondag 30 augustus 2015 tijdens Hartemèrt wordt gepresenteerd, laat aan iedereen tal van foto’s zien rondom het fenomeen ’de tram te Schijndel en omstreken’ en daarbij treft men een bescheiden informatief boekje aan met de belangrijkste historische informatie over de lijn Sint-Oedenrode naar ’s-Hertogenbosch met als tussenstations Sint-Michielsgestel en Schijndel. In het kader van de toekomstige ‘Meierijstad’ als fusiegemeente van Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel, is tevens het idee ontstaan om ook een klein uitstapje te maken naar de tramlijn die naar Veghel en van daar naar Sint-Oedenrode liep.

Een stukje voorgeschiedenis

Vele nieuwe ontwikkelingen uit het recente verleden, die rechtstreeks te maken hadden met verkeer en vervoer en de infrastructuur op lokaal of regionaal niveau, kenden heel vaak een lange aanlooptijd alvorens men tot realisering kon overgaan. Dikwijls waren er legio vergaderingen aan voorafgegaan en dienden elkaar beconcurrerende partijen als belanghebbenden hun plannen ter goedkeuring in. Zo verging het ook de tramverbinding waar Schijndel onderdeel van zou gaan uitmaken. [1]

De eerste overlegmomenten voeren ons terug tot het jaar 1881. Een zekere heer J. van Hasselt bleek geïnteresseerd om een stoomtramverbinding te realiseren tussen Vught en Eindhoven met als tussenstation Schijndel. Men verleende hem de concessie, maar uit de archiefstukken blijkt dat hij de aanvraag in 1883 al weer introk. In 1895 meldden zich de heren O.Buijse en A.L.Festen die in gedachten hadden een tramverbinding aan te leggen van Vught via Sint-Michielsgestel naar Heeswijk - Dinther met een zijlijn Vught - Sint-Oedenrode. Een ambitieus voorstel dat weer terecht kwam op de gemeentelijke afdelingen van de onderscheiden dorpen, die hierop reageerden. Ook dit plan bleek getorpedeerd te worden, totdat op 26 juni 1896 een schrijven de ronde deed van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant dat aan de heer J.F.Pompen te Eindhoven een vergunning dd. 21 mei 1896 was verleend tot het leggen van  ‘ijzeren sporen’ langs de provinciale weg van Sint Oedenrode over Schijndel naar Sint Michielsgestel en over die sporen mochten dan wagens en rijtuigen rijden die door stoom in beweging werden gebracht, met als expliciete voorwaarde dat de tram uiterlijk 1 januari 1898 in exploitatie genomen zou moeten worden. In hetzelfde jaar trokken Buijse en Festen de aan hen verleende concessie in. Inmiddels was een nieuwe maatschappij opgericht onder de naam ‘Tramweg-Maatschappij Sint-Oedenrode-’s - Hertogenbosch’. [2]

Het was als het ware de hekkensluiter van de Brabantse tramwegen. Doordat het de jongste telg was, kon deze maatschappij, met alle technische kennis uit het recente verleden, uitgroeien tot een modern trambedrijf. Het lijnennet groeide gestaag en al vrij spoedig zou deze tramwegmaatschappij zijn hoogtepunt bereiken rond 1915 met een totale lengte van 120 km. De ontwikkelingen volgden elkaar snel op en al op 1 oktober 1898 kon het baanvak Sint - Oedenrode - Schijndel - Sint-Michielsgestel in exploitatie genomen worden, waarvan het tracé keurig langs de reeds bestaande provinciale wegen liep. De “OH” zoals de “Tramwegmaatschappij Sint-Oedenrode-’s - Hertogenbosch” ook wel genoemd werd, was aanvankelijk van plan om bij de oude straatweg van ‘s - Hertogenbosch naar Boxtel in Vught aan te sluiten op de bestaande trambaan van de paardentram ‘s- Hertogenbosch- Vught- Voorburg (geëxploiteerd door de tramwegmaatschappij ‘s- Hertogenbosch-Helmond: sBH).

Echter, deze onderneming was niet van plan hieraan mee te werken, waardoor de “OH” zich genoodzaakt zag om een alternatief uit te werken. Een trambaan langs de Pettelaarseweg zou de financiële mogelijkheden van de tramwegmaatschappij ver te boven gaan. De enig overgebleven mogelijkheid om ‘s- Hertogenbosch te bereiken bleek een “omweg” door Den Dungen en langs de Zuid-Willemsvaart te zijn. Dit nadeel had echter twee belangrijke voordelen: de trambaan kon binnendijks worden aangelegd waardoor de hoge kosten vermeden werden die nodig zouden zijn om een extra dijklichaam aan te leggen waarmee de stad ook tijdens de beruchte overstromingen van de Maas gedurende de wintermaanden bereikbaar bleef. Het tweede voordeel was dat door de aanleg van een trambaan door Maaskantje en Den Dungen de lokale bevolking gebruik kon gaan maken van dit vervoermiddel. Hiermee genereerde de tramwegmaatschappij extra inkomsten.

Te Sint-Michielsgestel werd op 20 oktober 1898 een perceel grond gekocht waarop een emplacement, een locomotief- en rijtuigremise alsmede een stationsgebouwtje verrees. Van hieruit leidde men aanvankelijk de exploitatie, terwijl het materieel van de lijn Sint-Oedenrode- ’s- Hertogenbosch [OH] vier lokomotieven en zes rijtuigen, eveneens hier een onderkomen had. Toen echter het baanvak naar ’s- Hertogenbosch via Den Dungen in exploitatie kwam, reden er voortaan acht doorgaande trams op de lijn ’s- Hertogenbosch - Eindhoven. De feestelijke opening van de lijn Sint-Oedenrode-’s-Hertogenbosch vond over de gehele lengte plaats op maandag 26 juni 1899 en daags daarna volgde de officiële ingebruikname. Een rijk versierde tram baande zich een weg door de toegestroomde dorpelingen.

Het traject Sint-Michielsgestel-Vught via Halder degradeerde tot een onbeduidende paardentramlijn die het nog tot 1917 zou volhouden.

Historische kranten vol lof

In ‘de Tijd’ van 31 december 1899 stond een boeiend artikel over de ontwikkelingen in Brabant op allerlei terreinen, waarvan hieronder het commentaar rondom de aanleg van allerlei tramverbindingen. De titel luidde: Meierijsch gekeuvel – Vooruitgang. [3]

“Niet alleen kunstwegen, ook tramverbindingen, vóór enkele jaren hier in de Meierij nog zoo zeldzaam, bleken meer en meer noodzakelijk te worden. Zelfs grootere plaatsen, als Schijndel, St. Oedenrode, Oorschot, om van de vele andere welvarende dorpen, met dikwijls niet onbeduidende nijverheid, niet eens te gewagen, hadden geen enkele reisgelegenheid, dan een oude, vunzige rammelkast. Langzamerhand gaat dit anders worden, of liever, voor een gedeelte is het reeds beter geworden. Bracht reeds vóór jaren de stoomtram van Helmond naar ´s Bosch eene verbinding tot stand tusschen verscheiden welvarende dorpen, nog slechts kort geleden werden door den aanleg de lijnen Eindhoven-Belgische grens Eindhoven-Vechel, en St. Oedenrode-'s Bosch, niet alleen een aantal onzer Kempische dorpen, maar ook: St. Oedenrode, Vechel en Schijndel in het dagelijksch tramverkeer opgenomen. Dat deze lijnen noodzakelijk waren, blijkt uit den goeden gang van zaken.

Meer dan één plan is opnieuw ontworpen. Zoo schijnt alle kans van uitvoering te hebben, het ontwerp eener stoomtramverbinding van S Oedenrode-Best-Oorschot-Moergestel en Tilburg. Evenzoo eene lijn van Eindhoven over Geldrop naar Helmond.

Verder zal binnen korten tijd ook bij den Helmondschen Gemeenteraad worden ingediend het tramproject Weert-Dorplein (de plaats onder Budel, waar de bekende zinkfabriek is gevestigd.)

Nog heeft, naar verluidt, kans om tot stand te komen de lijn Geldrop- Leende-Budel-Dorplein, terwijl eveneens nog altijd gesproken wordt over de vóór eenigen tijd ontworpen lijn : Beek-Lieshout-Gerwen-Nuenen-Tongelre-Eindhoven. 't Is wat sterk, zegt misschien een hollandsche lezer — gesteld dat hij dezen keer eens even kennis neemt van dit schrijven — 't is veel, zegt hij mogelijk aan 't einde dezer vijf schoone plannen, die, eenmaal uitgevoerd, Eindhoven en Helmond tot middelpunten van druk verkeer zouden maken”.

Protesterende Schijndelaren

De aanleg van de tramrails was natuurlijk het gesprek van de dag onder de inwoners van Schijndel en zeker degenen die rechtstreeks met de tramrails te maken hadden lieten zich niet onbetuigd. Toen eenmaal duidelijk was hoe de rails zouden komen lopen staken sommigen de koppen bij elkaar en het waren vooral de neringdoende dorpelingen die hun mondje roerden en plannen smeedden om te redden wat er te redden viel. Ze trokken de stoute schoenen aan stelden een keurig verzoekschrift samen, overigens taalkundig niet overal even correct, gericht aan de Gedeputeerden Staten van Noord-Brabant. [4]

“Geven met den meesten eerbied te kennen: ondergetekenden, allen neringdoenden en bewoners der noordzijde van de Groote Straat te Schijndel, dat ten raadhuize der gemeente Schijndel ter inzage liggen de kaarten van de aan te leggen stoomtram ‘de Meijerij’; dat uit die kaarten blijkt, dat in de Groote Straat de tramlijn aan de noordzijde zal gelegd worden; dat ondergeteekenden overtuigd zijn. dat zij hierdoor benadeelt, of tenminste belemmert worden bij de uitoefening hunner bedrijven, daar bij de meesten dagelijks paarden en voertuigen aan hunne werkplaatsen ophouden; dat aan de noordzijde de drukste zaken gedreven worden en ook het grootste aantal neringdoenden wonen; dat daar zijn twee smederijen, een windmolen, twee bakkerijen, een timmermanswinkel, vier herbergen, eene zadelmakerij, eene bierbrouwerij, dat aan de zuidzijde slechts zijn: drie bakkerijen, eene bierbrouwerij, eene kuiperij, drie herbergen; dat naar hunne bescheiden meening de tramlijn even goed aan de zuidzijde der straat kan gelegd worden; dat het wel waar is dat bij het raadhuis en op eene of twee plaatsen zoo weinig ruimte is, dat de provinciale weg op die plaatsen een weinig zal moeten verlegd worden; dat echter aan de noordzijde over eene veel grootere uitgestrektheid zal moeten geschieden; dat zooals uit bovenstaande blijkt, het in het algemeen voor de neringdoenden het minst hinderlijk zal zijn, wanneer de tramlijn aan de zuidzijde gelegd wordt; dat de neringdoenden aan de zuidzijde bijna allen meer ruimte voor hun huizen hebben dan die der noordzijde; weshalve ondergeteekenden de vrijheid nemen zich tot uw Edelgrootachtbaren te wenden met het eerbiedig verzoek, de tramlijn aan de zuidzijde der Groote Straat te doen leggen, waardoor ondergeteekenden ten zeerste gebaat zullen zijn.

Het welk doende enz. ACJ van Heertum tabaksfab. en winkelier, Petrus Kemps Smid en Koopman, Jos. van den Brand Smid en IJzerwinkelier, Jan van Dijk Bakkerij en Winkelier, Jan Aarts Wz. timmerman, A. Merks Winkelier en Koopman, Joz. Ant. Reijnders Kleermaker en Herbergier, Hubert Schippers Koopman en Winkelier, J. van Uden Kuiper, Hubertus Heesters Gouwde Leeuw, Ant. Knicknie Bakker, Y.A.Knicknie Koffiehuis, A.C. van Roessel tabakskerver & winkelier, Wed. Ant. v. Lier Koffiehuis, de Wedew M.A.Wollaert zadelmakerij Koffiehuis en Winkelier”.

En dat ze beleefd aan de bel getrokken hadden bleef niet onopgemerkt, want wat wil het geval….op 27 april 1898 schreef de hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat van Noord-Brabant het volgende aan de gedeputeerde Staten:

“Voor de gemeente Schijndel wordt, zowel door verschillende ingezetenen als door den gemeenteraad, verzocht de tramlijn op den Zuidelijken in plaats van op den Noordelijken berm van de weg aan te leggen. De belangen van den weg of van het verkeer over den weg verzetten zich niet tegen de voldoening aan dien wensch. Wordt de wegkruising van de tramlijn van nabij het landgoed ‘De Dennenboom’ overgebracht naar de Oostzijde van de kom van Schijndel, dan kunnen bij die verlegging meerdere wegkruisingen zelfs vermeden worden. Ik heb de eer Uwe Vergadering voor te stellen de plannen en teekeningen, ingezonden door de tramwegmaatschappij St. Oedenrode -‘sBosch, goed te keuren, behoudens de verplaatsing der tramlijn van de Noordzijde naar de Zuidzijde van den weg, voor het wegvak van af het Oostelijk einde van de kom van Schijndel tot aan de wegkruising nabij het landgoed ‘de Dennenboom’.

Daarmee was de kogel definitief door de kerk en zou de tramlijn gelegd worden op het tracé zoals de oudere generatie Schijndelnaren die tussen 1898 en 1936 hebben zien liggen.

De tramlijn door het dorp Schijndel

Komend van het landgoed ‘d’n Dennenboom’ draaide de tramlijn dus via de bestaande provinciale weg af richting Schijndel. De aanleg van de lijn hield uiteraard wel enkele infrastructurele gevolgen in. Uit veiligheidsoogpunt werd bv. door de gemeenteraad besloten om de straatverlichting uit te breiden. Er moesten o.a. ook enige bomen gekapt worden. Aan de Boschweg zou een tramwisselpunt zijn aangelegd, getuige de notities in het glossarium van veldnamen dat is toegevoegd aan de studie over het Schijndelse landschap [uitgave 2003] waar geschreven stond ‘1920 - op den Boschweg bij den Tramwissel’. [5]

Er zijn schetskaarten bewaard van het hele traject door het dorp, maar daarop staan  jammer genoeg niet exact aangegeven waar de tramhaltes precies waren.

Een ander aanknopingspunt is de dienstregeling dd. 3 juni 1918 waaruit afgeleid mag worden dat er minimaal 3 haltes zijn geweest want in dat overzicht noemt men over het tramtraject Sint-Oedenrode-’s-Hertogenbosch de haltes Schijndel NBDS [bij het Duits Lijntje dus] o.a. bij café Paul van Gorkum, Schijndel [vermoedelijk de officiële halte bij Van Veghel in de Hoofdstraat, ook wel ‘het Tramhuis’ genoemd] en Schijndel Van Oorschot [mogelijk een halte bij een herberg aan de Boschweg]. [6]

In de dienstregeling van 1907 wordt gesproken over Schijndel-Pennings. [7]

Het gaat hier om Christ[iaan] Pennings aan de Boschweg in 1881 onder wijknummer E 731 en in de registers over de periode 1886-1904 wijknummer E 743 en daarbij staat aangetekend: voorhuis, kamer en beugelbaan.

Diverse ongelukken

Het nieuwe vervoermiddel dat nieuwe kansen en mogelijkheden bood voor de economische groei en bloei, zeg maar de algemene welvaart der Brabantse dorpen, kende echter ook een schaduwzijde. In diverse historische kranten uit de periode 1898-1936 worden ongelukken gemeld, sommige zelfs met dodelijke afloop. De hoogst toegestane snelheid van de tram bedroeg aanvankelijk 15 km. per uur, wat later 20 km. werd. De spoorwijdte was juist iets meer dan één meter nl. 1067 mm om precies te zijn, zoals Theodoor van den Heuvel beschrijft. En hij vervolgt: “De reden waarom het tramspoor zo smal was lag hem in het feit dat de trambaan was aangelegd langs bestaande wegen en van hogerhand door het provinciebestuur was vastgelegd. Het profiel van de vrije ruimte voor de tramweg was door de wegbeheerders in evenredigheid met de breedte van de weg bepaald. Hierdoor kon de toepassing van het uit Engeland afkomstige normaalspoor [1435 mm], dat door de meeste spoorwegmaatschappijen in Europa werd toegepast, niet worden toegestaan. Groot voordeel van de aanleg van de trambaan langs bestaande wegen was dat hiervoor slechts de zogenaamde recognitiegelden betaald hoefde te worden en dat de aankoop van dure gronden en onteigeningsprocedures vermeden konden worden. Voordeel van een smal spoor was verder dat de bovenbouw niet zo zwaar hoefde te zijn en dus relatief goedkoop was. Het onderscheid in wat gedefinieerd wordt als een “spoorweg”dan wel “tramweg”ligt, ook op technisch vlak, nauwkeurig omschreven in de wetgeving. Doordat men aansloot op de bestaande wegenstructuur was het tracé van de tram vaak wel erg bochtig, waardoor de tram voortdurend vaart moest minderen”.  Ook al werden diverse verleende concessies tot aanleg van een tramlijn ingetrokken, veelal omdat de aanvragers niet binnen de gestelde termijn een aanvang konden nemen met de aanleg en exploitatie van hun tramlijn, is er in de periode 1880-1910 toch in Brabant een [stoom]tramnet gerealiseerd van maar liefst 400 km. Ondanks de matige snelheid van de trams bleven ongelukken inderdaad niet uit.

Hieronder een bloemlezing van allerlei Schijndelse berichten uit historische kranten in de schrijfstijl van toen en het zal de lezer niet verbazen dat er ‘niets nieuws onder de zon is’.

Eergisteren maakten eenige beschonken personen in den tram, komende van 's Bosch te Schijndel zulk een spektakel, dat de conducteur hen tot kalmte moest aanmanen, daar zij anders uit den tram zouden verwijderd worden. Hieraan geen gevolg gevende, gaf de conducteur het sein tot halt houden, toen een der levenmakers toeschoot en den conducteur een levensgevaarlijke steek in den onderbuik toebracht. Men vreest voor zijn leven. De belhamels zijn in arrest gesteld. [NTC 20-09-1901]

SCHIJNDEL, 14 Mei. Al wordt voorzichtigheid bij het reizen per tram nog zo dikwijls aanbevolen, toch wordt nog menigmaal de tol der onvoorzichtigheid betaald. Zoo ook gisterenmorgen. Een zekere Van W. alhier waagde zich te ver buiten den in vollen vaart zijnden tram en kwam met zijn hoofd tegen een telegraafpaal terecht. Hoewel niet levensgevaarlijk gewond, zal toch de patiënt nog lang de gevolgen zijner roekeloosheid ondervinden. [NTCourant 15-05-1903]

SCHIJNDEL. De weduwe Hagelaars, oud en hardhoorig, kwam Vrijdag over de tramlijn, juist toen nabij den handwijzer de tram van pl. m. 10 uur in de richting 's Bosch zou vertrekken De vrouw hoorde vermoedelijk den tram niet en al het remmen van den machinist was niet voldoende om een groot ongeluk te voorkomen. De vrouw werd gegrepen en was kort daarna een lijk. Naar wij vernemen heeft het trampersoneel geen schuld aan het ongeluk. [NTC 10.09.1903]

SCHIJNDEL. Door het uitwijken in dezelfde richting, kwamen twee wielrijders met elkander in vrij hevige botsing. De eene viel met een zwaren slag op de tramrails en werd hevig bloedend opgenomen. De gevolgen van dezen val zijn tot heden niet met zekerheid op te geven. Wat meer voorzichtigheid bij sommige wielrijders zou zeer aan te bevelen zijn. Niet alleen dat de ontspanning vaak in eene inspanning ontaardt, maar de grootere snelheid vergroot ook de kans op ongelukken. [NTC 13.07.1904]

SCHIJNDEL 17 october. De aardappeloogst, een der bronnen van inkomsten in onze gemeente, geeft hier thans veel bedrijvigheid. Dagelijks kan men in de richtingen Eindhoven, Helmond, 's Bosch en Tilburg volgeladen karren zien vertrekken om winterprovisie aan de afnemers te bezorgen. Buitendien vervoeren de trammen heel wat bestellingen, zoodat onze landbouwers een groot aantal gezinnen van een onmisbaar voedsel voorzien. De prijzen loopen van 40 tot 60 cent per vat al naar de kwaliteit. [NTC 19.10.1904]

DEN DUNGEN, 5 Nov. Hedennamiddag werd door de stoomtram de Meijerij, no. 9, onder de gemeente Schijndel, Boschweg, nabij het café Pennings een voertuigtransportwagen, bespannen met 2 paarden toebehoorende aan zekeren Hoppenbrouwers- Smits, wonende te Breda, welk voertuig te dicht bij de lijn stond, zijlings aangereden. Het voertuig alsmede een rijtuig van de tram werd nogal ernstig beschadigd. Persoonlijke ongelukken kwamen niet voor. Van een en ander zal procesverbaal worden opgemaakt. [NTC 09.11.1909]

Trambotsing

Maandagochtend reden er drie extra-trams van de Stoomtramweg-maatschappij „De Meijerij" in verband met de paardenmarkt te Hedel. Onder Schijndel is de derde extra tram op de tweede geloopen, die niet vooruit kon komen. De machinist van de derde tram zag het seinlicht van de tweede tram goed, doch kon niet stoppen wegens de gladheid der rails. Persoonlijke ongelukken kwamen niet voor, doch eenige paarden werden geblesseerd terwijl enkele rijtuigen en de buffers van machine en goederenwagens beschadigd werden. [NTC 10.11.1909]

Aangereden

Door de tram der Meijerij, die 8,30 van Schijndel vertrekt, werd gistermorgen tusschen den spoorwegovergang en café Buitenlust eene voermanskar uit Best aangereden. Het paard werd tegen de tram geslingerd en bekwam zulke ernstige verwondingen, dat het zal moeten worden afgemaakt. De voerman en de reizigers kwamen met den schrik vrij. [NTC 30.04.1912]

SCHIJNDEL, 23 Aug. Hedennamiddag had op de kromming van den weg bij den heer Van Lieshout eene botsing plaats en de inzittenden kwamen met den schrik vrij; doch de auto's waren de eene ernstig de anderen minder ernstig beschadigd, zoodat deze hun weg niet konden vervolgen. De eene is vervoerd per tram, terwijl de andere bij de heer Vugts ter reparatie is. Moge dit ongeval voor velen een les zijn om toch steeds langzaam te rijden en goede en duidelijke signalen te geven. [NTC 24.08.1912]

Kind doodgereden

Zaterdagvoormiddag omstreeks 11 uur overreed de Meijerijsche tram op de hoogte van zijweg Dungen tusschen St, M.-Gestel en Schijndel een kind van 4 jaren. Het kind was op slag dood. Bijna doormidden gereden haalde men het onder de machine uit. De machinist schijnt onschuldig aan 't droevig voorval, daar 't geschiedde juist na een draai van den weg, zoodat hij den kleine, die op de rails aan 't spelen was, niet kon zien. [NTC 28.10.1912]

SCHIJNDEL. 30 Jan. Terwijl de heer Vughts bakker te Schijndel zijn kar aan 't laden was, zoo meldt het “Eindh. Dagbl." en zijn knechtje, een jonkman van 16  jaar, het paard bij den kop hield, passeerde de tram, die om 3.16 naar 's- Bosch vertrekt. Ter hoogte van „de Pomp" in de kom van het dorp, liep het paard, achteruit en bekwam bekneld tusschen den lantaarnpaal en de tram. Hierdoor kwam het paard te vallen en werden het de twee voorste pooten afgereden. De kar versplinterde geheel. Het paard moest direct afgemaakt worden. De schok was zoo hevig, dat de ijzeren lantaarnpaal in twee stukken doorbrak. De knecht bracht het er gelukkig beter af. De conducteur, die het ongeluk zag aankomen, deed de machine onmiddellijk stoppen, maar te laat. Den machinist treft geen schuld. [NTC 31.01.1913]

Door de tram overreden

NIJMEGEN. De arbeider van der Schoot te Schijndel is onder de stoomtram de Meijerij gekomen en aan de gevolgen daarvan overleden. [NTC 27.11.1914]

Door den tram gedood.

SCHIJNDEL, 5 Febr. De werkman J. v. d. Kruijsen alhier zou gisterenavond met de tram, die om 7 uur in de richting 's-Hertogenbosch vertrekt, vanaf het station huiswaarts keeren. Door het verkeerd instappen schijnt de man tusschen de wielen geraakt te zijn, want een oogenblik daarna werd het vreeseiijk verminkte lijk onder de tram uitgehaald. De oppassende man laat een weduwe en 2 kinderen achter. Vandaag zou hij het huwelijksfeest van de zuster zijner vrouw hebben bijgewoond. [NTC 06.02.1918]

OVERREDEN.

EINDHOVEN 26 Juli. Gisterenavond is de 45-jarige H. de L. uit St. Oedenrode tusschen deze gemeente en Schijndel door den stoomtram Eindhoven - Den Bosch overreden en op slag gedood. Hij laat een vrouw en kinderen na. [NTC 26.07.1925]

SCHIJNDEL. Maandag j.l. geraakte mej. H. d. L. alhier, bij het oversteken van de tramrails, met haar fiets te vallen, met het gevolg dat zij haar been brak. Direct werd zij ten huize van Dr. van Oppenraaij binnengebracht en verbonden, waarna zij per auto huiswaarts werd vervoerd. [NTC 11.09.1925]

DOOR DE TRAM OVERREDEN.

Vrijdagavond had te Schijndel een ernstig ongeluk plaats. Het 10-jarig jongetje van den heer Gerard van Liempd op den Boschweg geraakte onder het wiel van de locomotief van de tram die in de richting Den Bosch reed. Het ventje werd vanaf het woonhuis van den heer J. van Thiel tot voorbij de nieuwe kerk meegesleurd. Het ventje werd geheel verminkt onder de locomotief uitgehaald en vertoonde geen teken van leven meer. [NTC 27.01.1930]

TEGEN EEN TRAM OPGEREDEN. Wielrijder op slag gedood.

Zaterdagmiddag te ongeveer twee uur had op den Schijndelschen weg tusschen St. Oedenrode en Schijndel een doodelijk ongeluk plaats. Een persoon, v. Z. genaamd, verloor het beheer over zijn rijwiel en reed tegen de juist passeerende stoomtram op. De man, die een vrouw en vijf kinderen achterlaat, was onmiddellijk dood. [DT 11.05.1930]

DE DAGELIJKSCHE VERKEERSONGELUKKEN.

Door een tram gedood. Zaterdagmiddag verloor op den Schijndelschen weg tusschen St. Oedenrode en Schijndel de heer Van Zandvoort het beheer over zijn rijwiel en reed toen tegen een juist passeerende stoomtram. De man was onmiddellijk dood. [NTC 13.05.1930]

Provinciale berichten. ONDER DE TRAM.

Maandagnacht te circa half een kwam een clubje feestgangers per rijwiel terug van de Koninginnefeesten te St. Oedenrode. Ter hoogte van den overweg in den weg St. Oedenrode - Schijndel haalde hen de extratram voor Den Bosch in.

Een der jongelui, de 18-jarige P. Broks uit Schijndel, geraakte onder de tram met het gevolg, dat zijn rechterbeen verbrijzeld werd.

Dokter Rietveld legde het eerste verband en beval onmiddellijke overbrenging van den gewonde naar het Groot Ziekenhuis in Den Bosch. Daar is het been onder de knie geamputeerd. De toestand van Broks was hedenmorgen naar omstandigheden wel. [NTC 09.09.1931]

De ongelukken van den dag. De dagelijksche lijst.

DE GEVAARLIJKE DUO-ZIT.

Meisje van den motor geslingerd en gedood. Tusschen St. Michiels-Gestel en Schijndel is de motorrijder Schellekens uit laatstgenoemde plaats in een bocht van den weg tusschen de tramsporen geraakt en omgeslagen. Zijn zuster die op de duozitting had plaats genomen, slingerde van den motor en smakte met het hoofd tegen de rails. In bewusteloozen toestand is zij naar de ouderlijke woning te Schijndel vervoerd, waar zij zonder bij kennis te zijn gekomen, tengevolge van een zware hersenschudding is overleden. De motorrijder zelf liep slechts eenige schrammen op. [NTC 27.07.1932]

AUTO IN BRAND.

De inzittende om het leven gekomen

Maandagmiddag is een luxe-auto, welke te St. Oedenrode verhuurd was, tegen 'n boom gereden. De auto vloog in brand en de eenige inzittende kon niet meer uit den wagen komen en verbrandde levend. Het lijk is geheel verkoold.

Het slachtoffer, de ongeveer 30-jarige v. d. Vorstenbosch, is chauffeur van de Meijerijsche Tramweg Maatschappij, die een vrijen dag had.

De auto kwam omstreeks vijf uur vermoedelijk met groote snelheid uit de richting Schijndel, raakte tusschen de tramrails en slipte, waardoor v. d. V. het stuur niet meer meester bleef en tegen 'n boom reed. De auto werd geheel vernield en kwam omgekeerd in een sloot terecht, waarna de wagen in brand vloog. Door den hevigen schok moet de bestuurder reeds buiten bewustzijn zijn geweest en verbrandde dan ook levend.

Het slachtoffer was gehuwd en laat een vrouw en drie kinderen achter. [NTC 06.02.1934]

AUTO IN DE TRAMRAILS.

Tramverkeer ernstig gestagneerd

Woensdagmorgen heeft te St. Michiels Gestel een auto-ongeval plaats gehad, dat betrekkelijk goed is afgeloopen. Mej. B. uit Schijndel reed met haar auto waarin nog eenige dames gezeten waren, naar 's-Hertogenbosch. Toen zij onder de gemeente St. Michiels Gestel voor een voertuig moest uitwijken, raakte de wagen tusschen de tramrails bekneld. Het voorste gedeelte van de auto bleef boven een langs den weg loopende sloot hangen. Met man en macht trachtte men aanstonds den wagen te verwijderen, wat na twee uur werken gelukte. Al dien tijd ondervond het tramverkeer, dat 's Woensdags met Bossche markt zeer druk is, stagnatie. Mej. B. en de inzittende dames liepen lichte verwondingen op. [NTC 30.08.1934]

Het gebruikte materieel en de exploitatie

Het rollend materieel was natuurlijk een essentieel onderdeel van de tramwegmaatschappij De Meijerij, welk materieel ook werd gebruikt door de dochterondernemingen o.a. de tramwegmaatschappij Sint-Oedenrode-’s-Hertogenbosch. [8]

Men gebruikte destijds stoomlocomotieven, personenrijtuigen en goederenwagens. De locomotieven waren een rasecht Brabants product, gebouwd bij machinefabriek ‘Breda’, voorheen Backer & Rueb. De eerste serie locomotieven zijn gebouwd in 1896 en waren genummerd 1 tot en met 6. Ze droegen de namen Eindhoven, Sint-Oedenrode, Veghel, Noord-Brabant, Veldhoven en Bladel. De tweede serie werd gebouwd in 1898 en genummerd 7 tot en met 12, met de namen Schijndel, Sint-Michielsgestel, Vught, ’s-Hertogenbosch, J.F.Pompen van Sterksel en J.T.M.Smits van Oyen. Die werden ook ingezet op het baanvak Sint-Oedenrode-’s-Hertogenbosch. De locomotieven hadden een diep donkergroene kleur. De personenrijtuigen daarentegen werden geconstrueerd bij S.A. de construction La Metallurgique à Nivelles te Nijvel in België, Werkspoor Amsterdam en Allan in Rotterdam. De eerste serie rijtuigen, acht in getal, is al in 1897 in dienst genomen en bestond uit acht exemplaren vanuit de genoemde Belgische firma. Ze noemden ze rijtuigen van het ‘gemengde type’ een coupé 1e klas met een afdeling voor rokers en een voor niet-rokers en ook nog een coupé 2e klasse. Eind 1897 zijn er bij Werkspoor Amsterdam twee besteld de nrs. 9 en 10 en uiteindelijk werden ook de nrs. 10 tot en met 14 aangeleverd door Werkspoor. Pas veel later, begin 20e eeuw rolden nog een aantal nummers van de productieband bij Allan uit Rotterdam. Waren ze aanvankelijk uitgerust met kacheltjes, later zou men overstappen op stoomverwarming.  

De goederenwagens bestonden uit twee-assige en vier-assige gesloten en open wagens. In totaal beschikte ‘de Meijerij’ samen met de dochterondernemingen over 102 wagens die in diverse categorieën waren verdeeld nl. 4 postrijtuigen, 4 veewagens, 27 gesloten-, 42 open- en 25 goederenwagens op draaistellen.

Het tramwegpersoneel

De aanleg en exploitatie van tramwegen was voor velen een nieuwe bron van werkgelegenheid. [9]

Op het kantoor van tramwegmaatschappij ‘de Meijerij’ vonden we immers naast de directeur de boekhouder, de klerken, en de jongste bedienden. Bij de dienst van exploitatie waren werkzaam de chef van dienst, de stationschefs, volontairs, beambten, telegrafisten, ladingmeesters, stationsarbeiders, wisselwachters, brugwachters, rangeerders, bestellers, conducteurs, stokers, machinisten, wegwerkers, opzichters en ploegbazen. Dan had men nog de werkplaatsen zelf waar koperslagers, ketelmakers, wagenlichters, wagenmakers, lampenisten, kolen- en cokesdragers, rijtuigpoetsers, bankwerkers en schilders aan het werk waren.   

Besluit tot opbreken van de rails

Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog braken moeilijke tijden aan voor de tramwegmaatschappijen in Noord- Brabant. De exploitatiekosten waren gedurende de oorlogsjaren dusdanig gestegen dat van een winstgevend vervoersbedrijf nauwelijks nog sprake was. Deze situatie zou structureel blijken te zijn: gedurende de jaren twintig moesten de diverse overheden met subsidies het tramwegbedrijf overeind houden. Tevens zetten diverse ondernemende lieden busdiensten op om te concurreren met de stoomtram en daardoor het vervoersaanbod afroomden. In 1927 werd aan de autobusonderneming ‘Cito’ een vergunning verleend om een autobusverbinding te realiseren van ’s-Hertogenbosch naar Eindhoven. [10]

Al deze wildgroei aan particuliere openbare vervoersondernemingen leidde ertoe dat rijk en provincie steeds strengere eisen gingen stellen aan concessie- aanvragen. Desondanks bestonden er in de provincie Noord- Brabant in het midden van de jaren dertig zo’ n 72 particuliere busondernemingen!

Tevens werd het de Brabantse tramwegondernemingen ook duidelijk dat de dure stoomtractie niet meer te handhaven bleek. Er moest serieus gekeken worden naar alternatieven: de stoomlocomotieven vervangen door motortractie of, zeker voor het personenvervoer, overschakelen op auto(bus)bedrijf. In de jaren twintig stond de ontwikkeling van verbrandingsmotoren voor toepassing in railvoertuigen nog in de kinderschoenen. Ondanks enige pogingen van de tramwegmaatschappij “De Meijerij” om, met wisselend succes, tot motortrambedrijf te komen, heeft men uiteindelijk besloten om geheel over te stappen op busexploitatie.

Uiteindelijk zou de tram uit het dorpsbeeld gaan verdwijnen. In het jaar 1932 staakte men het personenvervoer. [11]

In 1934 besloot men ook het goederenvervoer stop te zetten, waarna de tramrails ongebruikt bleef liggen.

In 1935 bundelden alle Brabantse tramwegmaatschappijen hun krachten in de N.V. Brabantsche Buurtspoorwegen en Autodiensten, de B.B.A..

Aan de NV Brabantse Buurtspoorweg en Autodiensten werd in 1936 een machtiging verleend om over te gaan tot het opbreken van de tramrails, waaraan, nadat de machtiging was afgegeven, snel werd begonnen.

In Duitsland bracht oud- ijzer in het midden van de jaren dertig veel geld op. Binnen korte tijd was de prijs voor een kilo ijzerschroot vertienvoudigd. En aangezien de BBA het geld goed kon gebruiken werd in gezwinde spoed al het rollend materieel , rails en bovenbouwmateriaal met de snijbrander kort gemaakt en vanuit de haven van Waalwijk over de oostgrens vervoerd.

Een leuke anekdote tot slot

Riet van de Leest [1923] heeft als kind de tram nog jaren lang zien rijden en heeft haar ervaringen aan het papier toevertrouwd. Bepaalde gebeurtenissen kunnen grote impact hebben op een kinderleven. Ze schrijft letterlijk het volgende: “Ik weet nog dat hij dagelijks door Schijndel reed in mijn jeugd tussen 6 en 14 jaar. Dan reed hij meermalen per dag een stukje langs de Wijbosscheweg en nam dan de bocht van ’t Feurske’ naar de Rooijsendijk [de Tramweg werd toen ’t Feurske genoemd]. Eén keer ben ik met m’n moeder naar Den Bosch geweest om Eerste Communie-kleren te kopen, een belevenis als je pas 7 jaar bent! Er gebeurde ook ongelukken mee. In een van de jaren dat ik naar school ging [tussen 1929 en 1936] werd een meisje van 8 of 10 jaar oud door de tram doodgereden. Het gebeurde vlak voor haar ouderlijk huis, de rails liepen langs de stoep. Zij was een dochter van Hein van Balkom de toenmalige klokkenwinkelman uit de Hoofdstraat. De zuster op school liet ons later het bidprentje zien van dat omgekomen meisje, met een foto waar zij op stond met een hoge kinderpoppenwagen met grote wielen. De zoon die zijn vader was opgevolgd is later verhuisd naar Mariaheide, leeft misschien nog en heeft wellicht ook nog een bidprentje of foto van zijn oudere zus. In welk jaar het gebeurde is onbekend. In de toenmalige 7e klas zat Corry naast mij bij zuster Jesualda. In haar goede tijd werkte Corry eerst bij de firma Ausems en later bij herenkleding van Tilburg. De laatste jaren zat ze in een rolstoel in het Bekkershuis. Haar jongere zus Dora was werkzaam op het gemeentehuis”.

Bronnen:

[1] W.J.M.Leideritz – De tramwegen van Noord-Brabant [uitgave 1978].

[2] Theodoor van den Heuvel - Tussen de brug en de meule – 100 jaar vervoer in Den Dungen [uitgave 1999].

[3] In de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag [KB] beschikt men over scans van een groot aantal ‘historische kranten’. In het kader van dit informatieboekje is een verzameling notities opgenomen die in deze kranten stonden betreffende de vele ongelukken met de trams in Brabant, toegespitst op de tramlijn Sint Oedenrode – ’s-Hertogenbosch; de spelling van toen is daarin aangehouden; Jo van der Aa, lid van de historische werkgroep van heemkundekring Schijndel, heeft ze allemaal geanalyseerd. 

[4] BHIC toegang 17 Provinciaal Archief inv.nr.11306 – brieven van resp. 12 en 21 april 1898.

[5] Nieuw Administratief Archief inv.nr.42.

[6] Tramwegmaatschappijen ‘De Meijerij’ dienstregeling 3 juni 1918 ons toegestuurd door collega Theodoor van den Heuvel uit Den Dungen.

[7] Register van aanvragen om vergunning tot verkoop van sterke drank in het klein – 1881-1904 bewerkt door Marijn Ligtenberg lid van de historische werkgroep HKK Schijndel.

[8] zie noot 2 pag.21.

[9] Bep van Lieshout – 1997 – Eerste stoomtram in ons dorp eeuw geleden met gejuich binnengehaald in: Heemschild jrg.31 nr.4 december 1997.

[10] Wiro Heesters [1984] Schijndel Historische Verkenningen – een uitgave van de Stichting Brabants Heem pag. 287

[11] Collectie Van Bokhoven onder de rubriek ‘Tramverbinding’ inv.nr.51/54 [zie: heemkamerarchief kast 2]

 

 

Schijndel/Vught, februari 2015.

Henk van den Brand lid historische werkgroep van HKK Schijndel

Henk Beijers lid historische werkgroep van HKK Schijndel

Met dank aan Theodoor van den Heuvel uit Den Dungen voor zijn aanvullende opmerkingen

Hens van Schie lid van de audiovisuele werkgroep van HKK Schijndel heeft de dvd gerealiseerd.

 

TERUG NAAR OVERZICHT